Wettelijke strafverhogingen leiden zelden tot langere gevangenisstraffen

maandag, 30 maart 2026 (13:30) - Nederlands Juristenblad

In dit artikel:

De afgelopen jaren heeft de Nederlandse wetgever voor meerdere strafbare feiten de maximumstraffen verhoogd — opvallend is onder meer moord van 20 naar 30 jaar en doodslag van 15 naar 25 jaar — als reactie op veranderende maatschappelijke opvattingen en de wens voor strengere normstelling. Onderzoek van de Vrije Universiteit en Radboud Universiteit, in opdracht van het WODC en aangevraagd na een motie van Eerste Kamerlid Veldhoen, laat zien dat die hogere maxima in de praktijk zelden leiden tot zwaardere straffen door officieren van justitie of rechters. In veel gevallen blijven zij binnen de strafmarges die vóór de wetswijzigingen gangbaar waren.

De onderzoekers constateren dat de wetswijzigingen vaak summier zijn gemotiveerd: de parlementaire toelichting wijst meestal naar de ernst van het delict of een signalerende/preventieve bedoeling, maar ontbreekt een stevige wetenschappelijke onderbouwing. Niet alle verhogingen zijn coherent afgestemd op bestaande maxima; een uitzondering vormt de verhoging bij doodslag. Ook is de regeling voor voorwaardelijke invrijheidsstelling (vi) substantieel veranderd: vi wordt nu per persoon beoordeeld en kan ten hoogste twee jaar voor het einde van de straf worden verleend. Die wijziging vergroot naar verwachting de effectieve detentieduur voor sommige gedetineerden.

In vergelijkend perspectief hebben ook buurlanden strafverzwaringen doorgevoerd, maar de motivering en systeemaanpassingen lopen uiteen. Nederland wijkt daarnaast sterk af wat betreft vi: veel andere landen kennen vrijlating na twee derden of zelfs de helft van de straf, wat de internationale uitwisseling van veroordeelden bemoeilijkt.

Bij concrete bestudering van enkele misdrijven bleek dat slechts bij een klein aantal, zoals mensensmokkel, een lichte stijging in opgelegde straffen zichtbaar is; bij doodslag en mensenhandel zijn geen structurele verschuivingen gevonden. Een belangrijke verklaring is dat OM-richtlijnen en nationale oriëntatiepunten die rechters en aanklagers hanteren niet automatisch worden aangepast na wetswijzigingen, waardoor de praktijk op eerdere richtlijnen blijft steunen. De veranderde vi-regeling kan desalniettemin tot meer tijd achter de tralies leiden.

De uitkomsten hebben twee kanten: ze tonen de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en dat politiek gewenste verzwaring niet automatisch in vonnissen doorklinkt, maar scheppen ook spanningen tussen wetgever en rechtspraak als maatschappelijke signalen via hogere maxima niet terugkomen in de strafoplegging. De onderzoekers adviseren onder meer een betere wetenschappelijke onderbouwing van strafmaxima, ontwikkeling van op onderzoek gebaseerde strafvorderingsrichtlijnen door het OM en dat rechters expliciet motiveren in hoeverre zij rekening hebben gehouden met gewijzigde maxima bij het bepalen van de straf.