VSAN: Betaal patroons voor opleiden stagiairs
In dit artikel:
De Vereniging Sociale Advocatuur Nederland (VSAN) pleit voor een gerichte investering: een jaarlijkse patroonsvergoeding van circa €25.000 per begeleidend advocaat om de instroom van jonge sociaal advocaten te vergroten. Volgens VSAN-voorzitter Reinier Feiner is dat doeltreffender dan de kantoortoeslag waar de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) toe neigen. RvR, NOvA en VSAN werken samen in een visietraject om het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand toekomstbestendig te maken, maar verschillen van mening over de beste route.
Het probleem is tweeledig: te weinig nieuwe sociaal advocaten komen binnen en te veel vertrekken. De discussie spitst zich toe op de manier waarop subsidie moet worden verdeeld. RvR en NOvA stellen voor om een toeslag op het uurtarief toe te kennen aan kantoren die aan bepaalde voorwaarden voldoen (een kantoortoeslag, met een voorgestelde ondergrens van drie of vier advocaten). De VSAN waarschuwt dat zo’n maatregel vooral grotere meerpersoonskantoren bevoordeelt en eenpitters — veelvoorkomend in de sociale advocatuur — buiten spel zet, terwijl juist veel van die eenpitters wél stagiairs kunnen opleiden binnen samenwerkingsverbanden zoals kostenmaat schappen of gezamenlijke kantoorruimtes.
Feiner bestrijdt volgens hem foutieve beeldvorming over de circa 2.200 eenpitters die op toevoegingsbasis werken: zij zijn niet noodzakelijk solistisch aan de keukentafel, maar opereren vaak in praktijknetwerken met gedeelde dienstverlening en onderlinge vervanging. De VSAN vreest dat een kantoortoeslag alleen beschikbaar komt voor kantoren die stagiairs in loondienst nemen, waardoor ondernemers die stagiairs begeleiden maar het werkgeversrisico niet willen dragen, buiten de boot vallen. Voorbeelden van dergelijke initiatieven zijn Oorsprong Advocaten (Utrecht) en Advokatenkollektief Oost (Amsterdam).
Als alternatief formuleert de VSAN een tweesporenplan. Op korte termijn wil de vereniging een patroonsvergoeding combineren met uitbreiding van de subsidie voor de beroepsopleiding. VSAN rekent erop dat dit de gesubsidieerde instroom kan verhogen van circa 175 naar 400 nieuwe advocaten per jaar. De voorgestelde structurele investering bedraagt ongeveer €33 miljoen per jaar; VSAN stelt dat de door Van der Meer II geciteerde kosten voor een kantoortoeslag (ongeveer €13 miljoen) zijn gebaseerd op onjuiste aannames en in werkelijkheid hoger zullen uitvallen.
Voor de lange termijn bepleit Feiner een opleidingsmodel naar voorbeeld van huisartsen: een centraal opleidingsinstituut neemt advocaten in opleiding in dienst en betaalt praktijken voor het opleiden, waardoor werkgeversrisico voor advocatenpraktijken beperkt wordt en afgestudeerden makkelijker een werkplek vinden. Daarnaast stelt VSAN voor de subsidies gerichter in te zetten op regio’s en rechtsgebieden waar tekorten zijn — bijvoorbeeld sociale zekerheid, asiel en belangenverdediging van minder populaire verdachten — en niet naar kantoren die al financieel robuust zijn (zoals grotere strafrechtkantoren).
De VSAN waarschuwt verder voor bureaucratisering en hoge uitvoeringskosten bij een kantoortoeslag, waardoor opleidingsplaatsen minder aantrekkelijk kunnen worden. Ook bestaan juridische risico’s: ongelijkheidsbehandeling bij beloning van advocaten kan aanleiding geven tot rechtszaken tegen de staat of de uitvoerders van het subsidieregime. Feiner wijst tot slot op een structureel probleem: eerdere beleidskeuzes (Commissie-Wolfsen/Van der Meer) hebben het ondernemerschap van sociaal advocaten onvoldoende meegenomen, waardoor beloning, secundaire arbeidsvoorwaarden en loopbaanperspectieven achterblijven en de beroepsgroep minder aantrekkelijk wordt. Zonder gerichte en realistische randvoorwaarden zal het lastig blijven voldoende stagiairs op te leiden en sociaal advocaten te behouden.