'Verplicht stagiairs tot inschrijving bij Raad voor Rechtsbijstand'

woensdag, 15 april 2026 (16:19) - Het advocatenblad

In dit artikel:

André J.T.J. Meuwissen, een Limburgse advocaat met meer dan 36 jaar praktijkervaring, uit sterke kritiek op het afkalvende aantal sociaal advocaten en legt de oorzaak bij de manier waarop het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand georganiseerd is. Hij signaleert dat steeds minder advocaten zijn ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand (RvR), grotendeels doordat advocaten tijdens hun loopbaan commerciële waarde opbouwen en geen zin hebben om tegen lage tarieven (ongeveer €25–€50 per uur) nog toevoegingszaken te doen of te betalen voor verplichte basisopleidingen.

Meuwissen schetst hoe het anders was: nieuw beëdigde advocaten werden vroeger automatisch gemeld bij het oude Buro voor Rechtshulp, waardoor stagiairs routinematig in aanraking kwamen met het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand en ervaring opdeden met cliënten uit de onderste lagen van de samenleving. Die bureaus zijn opgegaan in de RvR en in stadsgewijze Juridische Loketten, maar de automatische instroom is verdwenen. Nu bepaalt het kantoor waar een stagiair werkt vaak of die überhaupt in aanmerking komt voor toevoegingen: geen overeenkomst tussen kantoor en RvR betekent meestal geen toegang tot gefinancierde zaken. Daardoor ontbreken bij veel jonge advocaten praktische scholing en contacten met “de onderkant”.

Verder wijst Meuwissen op een scheefgroei door specialisatie-eisen. De RvR verhoogt vergoedingen, maar meestal alleen voor advocaten die als specialist geregistreerd zijn of een door de RvR geëiste basiscursus hebben gevolgd. Advocaten die al veel ervaring hebben in betaalde zaken zien het nut van zo’n verplichte basiscursus niet in en geven aan dat de vergoeding niet opweegt tegen de kosten en inspanning. Het gevolg is dat cliënten met gekoppelde of opeenvolgende juridische problemen vaak van advocaat moeten wisselen omdat de oorspronkelijke advocaat niet op dat specifieke rechtsgebied staat ingeschreven, wat vertraging en ontevredenheid veroorzaakt.

Ook ethische en procedurele knelpunten komen aan bod: pro bono overnemen van niet-geregistreerde werkzaamheden wordt bemoeilijkt door gedragsregels en de praktijk rond proceskostenveroordelingen (het risico dat werken in de hoop op kostenvergoeding neerkomt op no cure no pay). Meuwissen betoogt dat de RvR resultaten monitort, maar dat die bewaking ook mogelijk is zonder generieke verplichte basiscursussen; de meeste advocaten nemen geen zaken aan buiten hun kunnen.

Als oplossing pleit hij voor één heldere maatregel: alle nieuwe advocaten-stagiairs verplicht inschrijven bij de RvR, gekoppeld aan een jaarlijkse minimale inzet van ten minste tien toevoegingszaken (globaal 50–100 uur). Volgens Meuwissen zou dit meerdere problemen tegelijk oplossen: het behoud en de instroom van sociaal advocaten, gedegen ervaring van stagiairs met kwetsbare cliënten, de mogelijkheid voor grote kantoren om stagiairs te laten meelopen in het gefinancierde stelsel, en daarmee een versterking van de sociale functie van de advocatuur. Tot slot roept hij beroepsvereniging NOVA op haar maatschappelijke taak (noblesse oblige) te vervullen.

Kort samengevat: Meuwissen ziet de combinatie van commerciële druk, specialisatie-eisen en verbindende contracten tussen kantoren en de RvR als hoofdredenen voor het verdwijnen van sociaal advocaten. Verplichte inschrijving van stagiairs bij de RvR met een minimumeis aan toevoegingszaken moet volgens hem het sociale vangnet voor rechtsbijstand versterken en toekomstige generaties advocaten opleiden in bijstand aan minderbedeelden.