Vermogensverschuiving na scheiding: nieuwe benadering vergoedingsrecht bij aflossing woning
In dit artikel:
Sinds 2012 worden vergoedingsrechten tussen echtgenoten en geregistreerde partners in Nederland berekend volgens de zogenaamde beleggingsleer, waarbij bijdragen als een investering worden gezien die meebeweegt met de waardontwikkeling van de gezamenlijke woning. Bij vergoedingsrechten die voortkomen uit aflossingen van een woninglening leidde de gangbare uitleg — gesteund door parlementaire geschiedenis en sommige rechterlijke uitspraken — echter tot afwijkende resultaten: men keek naar de waarde van de woning op het moment van verwerving, waardoor een aflossing achteraf effectief een terugwerkend economisch belang kon creëren bij de andere partner. Dat had in scheidingen grote financiële gevolgen, omdat één partner hierdoor ineens (grotendeels) eigenaar van een deel van de woning werd ten koste van de ander. Het Gerechtshof Den Haag wijkt nu van die zienswijze af. Volgens het hof moet een vergoedingsrecht dat ontstaat door aflossing worden berekend door de aflossing te delen door de waarde van de woning op het moment van die aflossing. Daardoor gaat het vergoedingsrecht pas vanaf het tijdstip van aflossen mee in de waardestijging of -daling van de woning, en niet met terugwerkende kracht. Dit betekent minder onverwachte en vaak fors nadelige verschuivingen van eigendomsbelangen bij echtscheidingen na aflossingen.