Tijd voor realisme als nieuw ideaal?
In dit artikel:
Op verschillende fronten klinkt dezelfde zorg: wet- en regelgeving is vaak onuitvoerbaar en dreigt bestuur en rechtsstaat vast te zetten. Op 8 mei besprak de Vereniging voor Bestuursrecht (VAR) of het bestuursrecht stagneert; op 12 juni staat bij de Nederlandse Juristen-Vereniging (NJV) de uitvoerbaarheid van wetten centraal. Rond de jaarwisseling publiceerden de president van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de vicepresident van de Raad van State de notitie “Naar een realistische overheid”, waarin zij signaleren dat veel aangekondigde plannen niet te realiseren zijn omdat menskracht, middelen of betrokken uitvoering ontbreken, of omdat regels botsen met bestaande wetten en verdragen.
Concrete dossiers illustreren het probleem: asielbeleid, stikstofaanpak, het herstel van de toeslagenaffaire, de implementatie van de Omgevingswet, regels rond (schijn)zelfstandigheid en de antiwitwaswetgeving. De uitvoeringsproblemen zijn geen nieuw thema; eerdere rapporten zoals de “Staat van de Uitvoering” en de eerste “Staat van de wetgevingskwaliteit” wezen al op het verband tussen uitvoerbare regelgeving en vertrouwen in de rechtsstaat. Ook het huidige kabinet benoemt regeldruk en complexiteit als knelpunten; een van Jetten’s ministeriële taskforces heeft als taak beleid en regelgeving fundamenteel te vereenvoudigen.
Preadviezen van VAR-auteurs Zouridis & Beers en het NJV-preadvies van Van der Staaij geven een vergelijkende diagnose: er is geen gebrek aan goede bedoelingen of aan richtsnoeren, maar wel aan “doenvermogen” bij de overheid. Dat vermogen wordt beperkt door een meerlaagse juridische orde, politieke verdeeldheid, maatschappelijke verwachtingen die tot nieuwe regels leiden en een tekort aan inzicht bij politiek en rechtspraak in de uitvoeringsgevolgen. Zouridis & Beers identificeren vijf ‘vastloopmechanismen’: tekentafellogica en ambitievalkuilen; schaarsteblindheid en decontextualisering; reputatie boven prestatie; een hyperresponsieve overheid; en gemaskeerde onmacht. Zij pleiten voor een nieuw realisme: minder idealistische wetgeving, meer buffers in het regelproductieproces, een waakhond voor ‘wegwerprecht’ en een echte dialoog tussen wetgever, uitvoerder en rechter.
Van der Staaij werkt dat verder uit in drie sporen: (1) de uitvoering versterken ten opzichte van beleid zodat uitvoerbaarheid serieus wordt meegenomen; (2) hard werken aan minder en minder centralistische regels, realistische verwachtingen en stapsgewijze vereenvoudiging van bestaande regelcomplexen; en (3) intensiever van elkaar leren. Beide preadviezen benadrukken dat er geen snelle oplossing bestaat: het vergt een langdurig traject met veel kleine, doordachte stappen en soms pijnlijke keuzes.
De opmars van het woord ‘realisme’ in adviezen en rapporten van Hoge Colleges van Staat, VAR en NJV suggereert een breedgedragen omslag: van ambitieus regelgevingsoptimisme naar pragmatische uitvoerbaarheid. De centrale vraag blijft of politiek en samenleving de tijd en bereidheid hebben om dit traject daadwerkelijk door te lopen.