Strafrechtelijke handhaving milieucriminaliteit schiet tekort
In dit artikel:
Onderzoekers van de Universiteit Leiden en Universiteit Utrecht, in opdracht van het WODC, publiceerden op 11 februari 2026 een onderzoek naar de strafrechtelijke afhandeling van milieudelicten in Nederland. Zij richtten zich op ernstige overtredingen zoals illegale lozingen door bedrijven, onjuist afvalverwerken en het dumpen van gevaarlijke stoffen. Conclusie: de strafrechtelijke handhaving schiet tekort — juridische middelen bestaan, maar komen in de praktijk vaak niet effectief van de grond.
In de praktijk worden vooral geldboetes opgelegd; bestuurlijke boetes (strafbeschikkingen) worden gewaardeerd vanwege hun snelheid maar zijn alleen toepasbaar bij relatief lichte feiten. Zwaardere maatregelen die bij ernstige delicten passend lijken — stillegging van bedrijven, ontneming van winst en herstelverplichtingen — worden beperkt ingezet. Oorzaken zijn lage pakkans en sanctiekans, capaciteitstekorten bij toezichthouders en opsporing, trage procedures, gebrekkige informatievoorziening en tekortschietende (keten)samenwerking. Complexe milieuregelgeving en het ontbreken van diepgaand inzicht in bedrijfsprocessen en financiële posities bemoeilijken het vaststellen van een passende straf en de controle op naleving van voorwaarden.
Het rapport benadrukt dat effectiviteit niet alleen van de sancties zelf afhangt, maar ook van opsporingshandelingen en neveneffecten zoals reputatieschade of verlies van vergunningen. De onderzoekers doen aanbevelingen om opsporing, vervolging en bestraffing te versterken; deze richten zich onder meer op het vergroten van capaciteit en expertise bij handhavers, betere informatie-uitwisseling en samenwerking in de keten, versnelde procedures en meer gerichte inzet van zwaardere sancties wanneer dat nodig is. Zonder zulke systemische verbeteringen blijft er een scheeflopende verhouding tussen de maatschappelijke schade van ernstige milieudelicten en de opgelegde straffen.