Strafbare illegaliteit: fundamenteel onjuist

maandag, 13 april 2026 (09:01) - Nederlands Juristenblad

In dit artikel:

Eerstejaars strafrecht leren dat een strafbaar feit uit vier elementen bestaat: een menselijke gedraging die binnen een wettelijke delictsomschrijving valt, wederrechtelijkheid en toerekenbare schuld. In het algemeen betekent ‘menselijke gedraging’ iets doen; strafbaar nalaten is uitzondering en beperkt tot gevallen waarin iemand bewust verzuimt een acute gevaarlijke situatie of concreet nadeel te voorkomen (bijvoorbeeld het niet verlenen van hulp aan een persoon in ogenblikkelijk levensgevaar — art. 450 Sr, maximaal drie maanden gevangenisstraf als de persoon overlijdt). Buiten het klassieke strafrecht bestaan er bij overtredingen (bijv. voorrangs- of belastingregels, vergunningplicht) ook vormen van strafbaar nalaten, maar daar is doorgaans een onmiddellijk gevaar of nadelig gevolg aantoonbaar.

Op 1 juli 2025 is in de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet een amendement van PVV-Kamerlid Marina Vondeling aangenomen dat illegaal verblijf strafbaar stelt. Het voorgestelde artikel 108a Vreemdelingenwet zou strafbaar stellen dat een meerderjarige vreemdeling die weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat zijn verblijf niet rechtmatig is, met maximaal zes maanden gevangenisstraf of een geldboete van categorie II. Juridisch bezien schuift dit voorstel de grens: iemand wordt gestraft louter omdat hij hier verblijft zonder de juiste papieren — niet omdat hij iets heeft gedaan of concreet heeft nagelaten om direct gevaar af te wenden.

De auteur vergelijkt dit met art. 197 Sr, dat straf oplegt aan wie in Nederland verblijft terwijl hij als ongewenst is verklaard of een inreisverbod heeft; daar ligt een link met eerder wangedrag of risico op gevaarlijke handelingen. Artikel 108a daarentegen bestraft alleen de status van ‘ongedocumenteerde’, waardoor de klassieke scheiding tussen doen en nalaten wordt uitgehold. Dat roept vragen op over naar wie de maatregel zich uitbreidt als criterium ‘wij willen jou hier niet’ volstaat om strafrechtelijk op te treden.

Ook ontstond bezorgdheid over hulpverleners: in eerste instantie zou hulp aan illegale vreemdelingen onder normale deelnemingsregels medeplegen of medeplichtigheid kunnen opleveren. Een novelle probeerde deelname anders dan als pleger uit te sluiten, maar dat biedt geen volledige rust: mensensmokkel (art. 197a lid 2 Sr) bedreigt helpers met tot zes jaar cel wanneer sprake is van ‘uit winstbejag’ of organisatorische betrokkenheid, en ook art. 140 Sr (organisatievorming) kan nog worden aangewend.

Hoewel het doel — het tegengaan van illegale aankomst en verblijf — begrijpelijk is, waarschuwt de auteur dat zulke strafrechtelijke ingrepen de doeltreffendheid van het recht op asiel (art. 18 Handvest EU) kunnen ondermijnen. Het Europees Hof heeft recent benadrukt dat maatregelen die mensen zonder redelijke rechtvaardiging ontmoedigen om asiel aan te vragen dit recht aantasten. Verwacht worden rechtsprocedures tegen de Nederlandse regeling; de auteur roept de Eerste Kamer op zorgvuldig te oordelen.