Staat hoeft veroordeelde niet met voorrang in tbs-kliniek te plaatsen
In dit artikel:
Een veroordeelde man, die werd vervolgd voor de gijzeling van vier personen in Ede, hoeft van de Nederlandse Staat geen voorrang te krijgen bij plaatsing in een tbs-kliniek. Dat besliste de rechtbank Den Haag in een kort geding van 20 februari 2026. De man had geëist zo snel mogelijk in een tbs-kliniek te worden opgenomen, of in ieder geval als eerste op de wachtlijst te komen, omdat hij vindt dat de Staat structureel zijn zorgplicht schendt en dat langer verblijf in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) onaanvaardbaar is.
De voorzieningenrechter wees de vordering af. Belangrijke overwegingen: het tbs-systeem zit vast en er wachten momenteel 273 tbs-passanten op een plek; de Staat werkt aan oplossingen maar die zullen niet op korte termijn effect hebben. Omdat veel wachtenden evenzeer gebaat zijn bij snelle behandeling, hanteert de Staat een objectief plaatsingsbeleid op basis van chronologie. Afwijken daarvan brengt het onuitvoerbare probleem met zich mee om op subjectieve gronden te bepalen wie voorrang krijgt; dat is alleen in zeer uitzonderlijke gevallen toelaatbaar, en die uitzonderlijke omstandigheden zijn hier volgens de rechtbank niet aanwezig.
De rechter oordeelde verder dat in het PPC waarin de man verblijft behandelmogelijkheden bestaan die aansluiten bij zijn problematiek en dat uit eerdere incidenten niet volgt dat zijn toestand in detentie verder verslechtert. Zijn lange geschiedenis van ernstige problematiek en zijn angst om opnieuw schade te veroorzaken zijn begrijpelijk maar bieden geen rechtvaardiging voor voorrang boven andere wachtenden. De eis tot prioritaire plaatsing werd daarom afgewezen.