Staat discrimineerde vrouwelijke rechters in opleiding met beloningsbeleid
In dit artikel:
Het College voor de Rechten van de Mens stelt dat de Nederlandse Staat vrouwelijke rechters in opleiding jarenlang ongelijk heeft beloond door het gebruik van het criterium ‘laatstverdiend salaris’ bij inschaling. Sinds 1994 koppelde dat beleid de startpositie bij de rechterlijke macht aan het vorige inkomen, waardoor relevante ervaring onvoldoende werd gewaardeerd en inkomensverschillen ontstonden tussen bijv. ervaren juristen uit de sociale advocatuur en minder ervaren collega’s uit de commerciële praktijk met hogere salarissen.
Onderzoek van Erasmus Q-intelligence toonde een gemiddeld verschil van 3,5% in het voordeel van mannen binnen de groep rechters in opleiding, dat groter werd met toenemende leeftijd. Het College ziet hierin een vermoeden van indirect onderscheid op grond van geslacht; de Staat kon dat vermoeden niet weerleggen. Hoewel het doel van de Staat — het beperken van inkomensverlies bij overstap en het aantrekken van gekwalificeerde kandidaten — legitiem is, vond het College dat minder discriminerende alternatieven mogelijk waren (bijv. algemene salarisverhogingen, marktgerichte aanpassing of tijdelijke toeslagen).
Voor zittende rechters leidde het onderzoek niet tot een statistisch significant verschil, maar in drie individuele zaken bleek wél directe ongelijke beloning voor gelijkwaardig werk; in één geval was het verschil bijna €1.915 bruto per maand. De oordelen zijn niet bindend, maar de Staat voerde in juli 2024 een nieuw inschalings- en beloningsbeleid in (met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2023) waarin niet langer naar het laatstverdiend salaris wordt gevraagd. De Staat moet nu beslissen of en hoe financieel herstel voor betrokken rechters mogelijk is.