Specifiek en concreet
In dit artikel:
Op 24 maart 2026 oordeelde het Hof van Justitie van de EU in zaak C‑767/23 (Remling) dat hoogste nationale rechters veel strikter moeten motiveren waarom zij geen prejudiciële vraag aan het HvJ EU voorleggen. De kernvraag was of een hoogste rechter kan volstaan met een summiere verwijzing naar nationale procesregels (bijvoorbeeld artikel 91 lid 2 Vreemdelingenwet of artikel 81 lid 1 RO) zonder concreet uit te leggen waarom een aan de orde zijnde EU‑rechtsvraag niet voor verwijzing in aanmerking komt.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State had zich tot het HvJ gewend omdat zij jaarlijks duizenden vreemdelingenzaken behandelt (2762 uitspraken per jaar, waarvan circa 85% wordt afgehandeld met verwijzing naar artikel 91 lid 2 Vreemdelingenwet) en geen extra motiveringslast wilde. Het HvJ EU wees die wens af: wanneer een vraag van Unierecht rijst moet de hoogste nationale rechter specifiek en concreet aangeven waarom één van de drie uitsluitingsgronden van toepassing is — dat wil zeggen dat de vraag niet relevant is, reeds beantwoord is (acte éclairé) of het antwoord manifest duidelijk is (acte clair). Die motivering moet aansluiten op de feitelijke en juridische omstandigheden van de individuele zaak; algemene verwijzingen naar nationale wetsartikelen zijn onvoldoende.
Het arrest benadrukt verder dat die plicht niet afhangt van een expliciet verzoek van partijen om verwijzing. Anders dan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in recente uitspraken (waarbij alleen bij een precieze en gedetailleerde vraag om verwijzing een motivering door de nationale rechter vereist werd) ziet het HvJ EU de verplichting breder: zij vloeit voort uit artikel 267 VWEU in samenhang met artikel 47 van het Handvest en dient de door het Hof voorgeschreven rechterlijke dialoog binnen de Unie. Zelfs als een hoogste nationale rechter ambtshalve bevoegd is om buiten de aangevoerde middelen te treden, moet hij EU‑rechtelijke vragen betrekken en motiveren.
Het Hof laat wel enige ruimte: een hoogste rechter mag zich baseren op de motivering van een lagere rechter wanneer uit die uitspraak duidelijk blijkt waarom verwijzing niet nodig is. Is er sprake van een acte éclairé of acte clair die niet uit de lagere uitspraak blijkt, dan volstaat soms een opsomming van relevante HvJ‑precedenten, maar wanneer de kwesties niet volledig samenvallen of het Unierecht bijzondere uitleggingsmoeilijkheden kent, is een uitgebreidere motivering vereist. Het Hof toont hiermee weinig tolerantie voor nationale terughoudendheid, mede om te voorkomen dat uiteenlopende interpretaties van EU‑recht in de lidstaten ontstaan — en om lidstaten die de rechtsstaat ondergraven minder speelruimte te laten.
Praktisch levert het arrest vraagstukken op: de Afdeling en sommige kamers van de Hoge Raad werken vaak zonder een conclusie van het parket‑generaal, terwijl een A‑G‑conclusie de motivering cosmetisch en inhoudelijk kan vergemakkelijken. De nieuwe eis leidt waarschijnlijk tot meer werk voor hoogste rechters, meer nauwkeurige motiveringen in veel zaken (vooral in vreemdelingenrecht) en mogelijk meer prejudiciële verwijzingen naar het HvJ EU — of tot een verschuiving waarbij partijen EU‑recht explicieter moeten aanvoeren om de nationale rechter te dwingen tot een zorgvuldige afweging.