Selectie aan de poort; certiorari als inspiratiebron?

donderdag, 19 februari 2026 (10:30) - Nederlands Juristenblad

In dit artikel:

Sinds 1 juli 2012 kan de Hoge Raad op grond van art. 80a RO een deel van de instroom bij de poort afwijzen als niet-ontvankelijk, zonder dat daar een kenbare inhoudelijke motivering bij staat. Deze praktijk wordt binnen de rechtbankcircus grotendeels als onvermijdelijk of een noodzakelijk kwaad gezien, maar buiten het gebouw aan het Korte Voorhout bestaat duidelijke kritiek, vooral vanuit de advocatuur. Recent geluid van ontevredenheid kwam onder meer naar voren tijdens het afscheidssymposium van Taru Spronken op 10 februari 2026 en bij het congres van civiele cassatieadvocaten, waar bezwaar werd gemaakt tegen de frequente toepassing van art. 81 lid 1 RO en de toenemende ondoorzichtigheid.

De auteur vergelijkt dit Nederlandse selectie-groeperen met de Amerikaanse certiorari-procedure van het Supreme Court. In de VS moet een cert petition binnen 90 dagen na het vonnis van een lagere rechtbank worden ingediend; sinds 1972 worden zulke verzoeken grotendeels via de Cert Pool behandeld. Law clerks schrijven memos over de zaken, waarna veel petitions op een “dead list” belanden zonder bespreking door de volledige kamer. Alleen zaken die op de discusslijst komen worden plenair besproken; toelating vereist de instemming van ten minste vier Justices (de Rule of Four). Van de circa 7.000–8.000 ingediende petitions per Term worden grofweg 80 geaccepteerd. Een scherp punt van kritiek is dat veel zaken in de VS vrijwel uitsluitend door law clerks worden gescreend en verworpen.

In Nederland werkt de strafkamer anders: binnenkomende zaken worden door een selectieteam van ervaren medewerkers van het Wetenschappelijk Bureau gescreend; zogenaamde “peken” (schrifturen zonder cassatiemiddel) worden er meteen uitgehaald en voor de rest wordt geadviseerd over toepassing van art. 80a. In bijna 60% van de niet‑peken wordt geadviseerd tot toepassing van art. 80a — in 2024 ging het om circa 980 gevallen — waarna drie raadsheren dat advies beoordelen aan de hand van dossierstukken. In de civiele kamer is toepassing van art. 80a zeldzaam; daar wordt relatief veel (35–40%) afgehandeld met art. 81 lid 1 RO, waarbij in elk geval het Parket een kenbare inhoudelijke conclusie geeft. Toch blijft ook daar veel rechtspraak verscholen achter standaardformuleringen en de conclusies van advocaten‑generaal.

De kernkritiek is principieel: naarmate het caseload stijgt, neemt de transparantie en de zichtbare inhoud van rechterlijke motivering af. Dat ondermijnt het vertrouwen in de rechtsstaat: structureel “verborgen” rechtersrecht, zelfs als deels toegelicht in A‑G‑conclusies, is geen duurzame of acceptabele manier van rechtspreken. De schrijver stelt voor de Amerikaanse cert‑praktijk nader te bestuderen om inspiratie op te doen, maar waarschuwt dat eenvoudiger afwijzen zonder zichtbare motivering niet zomaar mag worden genormaliseerd.