Rechtsstatelijke observaties bij het coalitieakkoord
In dit artikel:
D66, VVD en CDA presenteerden op 30 januari een coalitieakkoord voor een minderheidskabinet onder de titel ‘Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland’. Het akkoord zet sterk in op economie en defensie en belooft verminderen van regeldruk in onder meer het bedrijfsleven, cao’s, onderwijs, cultuur, woningmarkt en strafrechtketen. De auteur merkt echter op dat minder regels vraagt om meer open normen en vertrouwen in ambtenaren en burgers, wat politiek en bestuurlijk lastig blijft.
Op het gebied van individuele rechtsbescherming krijgt constitutionele toetsing aan klassieke grondrechten een wettelijke basis, maar zonder invoering van een apart constitutioneel hof. Ook wordt extra geïnvesteerd in sociale advocatuur. Institutioneel worden twee belangrijke stappen voorgesteld: benoemingen voor de Raad voor de Rechtspraak moeten onafhankelijker worden en de rechterlijke macht krijgt een eigen begroting.
Voor de strafrechtketen wil de coalitie bepaalde veelvoorkomende delicten (denk aan winkeldiefstal en vernieling) vaker afdoen met een politiestrafbeschikking om de druk op rechtbanken te verminderen. Tegelijk worden bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) en publiek-private samenwerkingen, bijvoorbeeld bij online fraude, prominenter ingezet. De schrijver waarschuwt dat het uitbesteden van politie- of opsporingsfuncties risico’s kan inhouden voor de waarborgen die de trias politica biedt.
Gelijke behandeling krijgt wettelijke verankering met basis voor een Nationaal Coördinator Discriminatie en Racisme en één voor bestrijding van antisemitisme; etnisch profileren en racistische spreekkoren worden bestreden. Tegelijk blijft de regering vasthouden aan de Wet permanente intrekking Nederlanderschap: personen met dubbele nationaliteit die zich aansluiten bij terroristische organisaties kunnen hun Nederlanderschap verliezen. De auteur noemt deze regeling disproportioneel omdat zij vooral mensen van Marokkaanse of Turkse afkomst treft.
Op asiel en migratie bevat het akkoord weinig fundamentele vernieuwingen: de asielnoodmaatregelen van minister Faber zouden worden uitgevoerd, spreidingsregels blijven en gemeenten bepalen zelf of statushouders voorrang krijgen bij sociale huur. De (voorgenomen) strafbaarstelling van illegaal verblijf wordt kritisch beoordeeld als dreigend richting strafbaarheid van bestaan. Positief is dat asielzoekers met reële kans op vergunning na drie maanden mogen werken, wat de behoefte aan arbeidsmigranten kan verlichten; ook de kwetsbare positie van arbeidsmigranten wordt erkend.
Wat grondrechten betreft: vrije schoolkeuze wordt als grondwettelijk fundament genoemd, terwijl aangekondigde beperkingen van demonstratievrijheid en een verbeterde gegevensuitwisseling binnen justitie ter discussie staan. Een wettelijke adviesplicht bij signalen van huiselijk geweld voor professionals wekt zorgen over aantasting van medische geheimhouding; “klikplichten” worden afgewezen als onwenselijk.
Samengevat: het akkoord bevat zowel aansprekende voorstellen voor versterking van rechtsbescherming en rechterlijke onafhankelijkheid als maatregelen die spanningen oproepen rond politietaakuitbesteding, nationaliteitsverlies en asielbeleid. De auteur betreurt dat de harde lijn van minister Faber in belangrijke opzichten blijft doorwerken.