Rapport: advocatuur laat te weinig ruimte voor vernieuwing
In dit artikel:
Onderzoek van Erasmus Universiteit Rotterdam en Pro Facto, in opdracht van het WODC, concludeert dat de Nederlandse regelgeving te weinig ruimte biedt voor nieuwe praktijkvormen van advocaten die de toegang tot rechtshulp kunnen verbeteren. De onderzoekers stellen dat de huidige markt voor juridische dienstverlening niet goed functioneert: vooral mensen met lage inkomens, maar ook middeninkomens en kleinere mkb‑ondernemers die geen recht hebben op toevoeging, stuiten op drempels bij het vinden van betaalbare rechtsbijstand.
De analyse richt zich op de wettelijke kaders (Advocatenwet en de Verordening op de advocatuur, Voda) die sterk zijn ingericht op de professionele onafhankelijkheid van individuele advocaten en het bewaken van beroepswaarden. Daardoor zijn organisatorische varianten beperkt: zelfstandigen, bepaalde samenwerkingsverbanden en in‑house advocaten bij schaderegelingskantoren of ideële organisaties zijn toegestaan, maar externe kapitaaldeelneming en hybride bedrijfsmodellen worden in de praktijk grotendeels uitgesloten. Niet‑advocaten mogen geen advocatenkantoor houden omdat zij niet onder het tuchtrecht vallen, wat innovatie beperkt.
Om nieuwe modellen te beoordelen ontwikkelden de onderzoekers een beoordelingskader waarin de bijdrage aan een goede rechtsbedeling, toegankelijkheid en de proportionaliteit van beschermende waarborgen centraal staan. Concreet adviseren zij een erkenningsregeling waarbij niet alleen individuele advocaten, maar ook praktijkhouders onder toezicht komen te staan. Daarmee zouden vooraf voorwaarden aan zeggenschap, bestuur en toezicht kunnen worden gesteld zonder de professionele onafhankelijkheid van advocaten te ondermijnen. Voor ideële organisaties pleiten zij ervoor het huidige ledenvereiste te schrappen, mits deze organisaties en schaderegelingskantoren aan erkenningscriteria en geschiktheidstoetsen voor niet‑juridische bestuurders worden onderworpen. Ook rechtsbijstandverzekeraars en schaderegelingskantoren die alleen voor verzekerden optreden, zouden onder zo’n regeling kunnen vallen.
Het rapport bevat een stappenplan in drie fasen: in fase 1 (kort) staan bestaande en al toegestane experimenten centraal (bijv. in‑house teams bij schaderegelingskantoren) die binnen circa twee jaar in definitieve regels kunnen worden gegoten; fase 2 (tot circa 2030) behandelt complexere dossiers zoals multidisciplinaire samenwerking en externe kapitaaldeelneming; fase 3 (rond 2032) adviseert verplaatsing van de besluitvorming naar een onafhankelijke toezichthouder (mogelijk de te vormen Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur) om belangenverstrengeling en marktafscherming door de huidige regelgever (NOvA) te vermijden.
Het rapport, onder leiding van bestuurskundeuren Heinrich Winter, wordt gepubliceerd naast een onafhankelijk rapport van een door de NOvA ingestelde commissie onder leiding van Jaap Winter. Implementatie van de aanbevelingen zou meer ruimte kunnen scheppen voor innovatieve modellen en zo de bereikbaarheid en betaalbaarheid van rechtsbijstand verbeteren, mits passende waarborgen tegen risico’s worden ingebouwd.