Nieuwe procesregeling bundelt regels hoogste bestuursrechters
In dit artikel:
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven hebben de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026 vastgesteld. De regeling treedt in werking op 1 juni 2026 en vervangt meerdere bestaande regels, waaronder de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014, het Procesreglement bestuursrecht 2017, de Procesregeling onteigeningszaken 2024 en de Procesregeling vreemdelingenzaken.
Doel is één gezamenlijk kader te bieden voor procedures bij de drie hoogste bestuursrechters: meer uniformiteit en heldere verwachtingen voor partijen. Waar de Algemene wet bestuursrecht niet alle details regelt, vult de nieuwe regeling die leemtes op door uitgangspunten te geven voor procesvoering en het gebruik van wettelijke bevoegdheden door rechters. De regeling bevat geen dwingende voorschriften, maar geeft inzicht in de werkwijze van de colleges.
Belangrijke vernieuwingen zijn dat de digitale procedure het uitgangspunt wordt en dat onderwerpen die eerder weinig waren uitgewerkt nu zijn opgenomen. Specifiek zijn er bepalingen over zaken met prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU en over verzoekprocedures voor schadevergoeding. Voor procespartijen betekent dit duidelijkere procedurele kaders en een grotere nadruk op digitale afhandeling, in lijn met de verdere digitaliseringsgolf binnen het bestuursrecht.