Naming-and-shaming-procedures: achter gesloten deuren

woensdag, 4 maart 2026 (11:01) - Nederlands Juristenblad

In dit artikel:

Naming-and-shaming door Nederlandse toezichthouders—het openbaar maken van sanctiebesluiten en toezichtsinformatie inclusief de naam van de vermeende overtreder—neemt sterk toe. Doelstellingen zijn onder meer het afschrikken van consumenten, disciplinering van concurrenten, het versterken van vertrouwen in toezichthouders en het informeren van consumenten. Toezichthouders als de ACM, AFM, Kansspelautoriteit (Ksa) en Autoriteit Persoonsgegevens (AP) publiceerden dergelijke besluiten op basis van bijzondere wetten (bijv. Instellingswet ACM, Wft) maar ook op grond van de actieve openbaarmakingsregeling uit de Wob/Woo (jurisprudentie).

Voordat wordt gepubliceerd moet een belangenafweging plaatsvinden: het maatschappelijk belang van openbaarheid tegenover de vaak (on)omkeerbare schade voor de betrokkene, zoals reputatieverlies en marktschade. De kans dat toezichthouders méér doen dan op een website publiceren—bijvoorbeeld persberichten en sociale media—vergroeit die schade, waardoor betrokkenen vaak voorlopige voorzieningen aanvragen om openbaarmaking te schorsen totdat de bodemprocedure is beslist.

Probleem is dat Nederlandse bestuursrechters niet eenduidig beslissen of zittingen in zulke voorlopige voorzieningen en de bijbehorende bodemzaken besloten moeten plaatsvinden. Publieke zittingen kunnen de identiteit en de vermeende normschending alsnog bekendmaken, waardoor de voorziening haar doel mist. Hoewel het uitgangspunt van openbaarheid (artikel 8:62 Awb en art. 6 EVRM) geldt, kent de wet uitzonderingen voor het belang van een goede rechtspleging. In de praktijk weigeren sommige rechters besloten behandeling omdat zij het verschil zien tussen actieve openbaarmaking door een toezichthouder en indirecte bekendheid via een zitting; andere rechters sluiten zittingen juist om te voorkomen dat de procedure zelf leidt tot publiciteit. Voor de AFM geldt bovendien expliciet in de Wft dat behandelingen standaard achter gesloten deuren moeten plaatsvinden, wat de ongelijke rechtsbescherming tussen toezichthouders benadrukt.

De auteur betoogt dat, waar geen specifieke wettelijke regeling bestaat, voorzieningenrechters en bij toewijzing ook bodemrechters op verzoek besloten behandeling moeten toestaan om effectieve rechtsbescherming te waarborgen. Tevens wordt aanbevolen dat de wetgever de procedurele behandeling rondom openbaarmakingsbeslissingen per toezichthouder eenduidig regelt—of in een algemene Awb-bepaling—zodat rechtszekerheid toeneemt en rechters minder casuïstisch hoeven te beslissen. Deze aanbeveling sluit aan bij eerdere wetsgeschiedenissen die besloten behandeling ter voorkoming van procedurele publiciteit verdedigbaar achten.