MH17, het EHRM en beroep op artikel 10 EVRM in Woo-zaken
In dit artikel:
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft onlangs een uitspraak gedaan in de langlopende zaak tussen de Nederlandse Staat en de media (NOS, RTL en de Volkskrant) over openbaarmaking van documenten rond de MH17-ramp. De controverse draaide om onder meer notulen van een ministeriële commissie en andere overheidsstukken die de media via de Wet open overheid (Woo) wilden opvragen. Het Hof concludeerde dat de Staat en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de stukken op goede gronden geheim hadden gehouden.
Belangrijk in de uitspraak is dat het EHRM de nationale afwegingen en de beschermwaardigheid van de geheimhouding heeft onderschreven: het belang van vertrouwelijkheid — bijvoorbeeld in verband met dossiers over een internationale ramp, lopend strafrechtelijk onderzoek of essentiële beleidsdiscussies — kan zwaarder wegen dan het algemeen belang bij openbaarheid. Daarmee geeft het Hof aan dat een beroep op artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting en persvrijheid) niet automatisch een recht op inzage in overheidsdocumenten creëert. Artikel 10 kan wel relevant zijn, maar eisers moeten aantonen dat de weigering tot openbaarmaking een onevenredige en ontoereikend gemotiveerde inbreuk vormt op hun journalistieke taak.
Voor Woo-zaken levert de uitspraak twee praktische handvatten op. Ten eerste: nationale instanties en bestuursrechters krijgen een zekere marge van beoordeling bij het afwegen van vertrouwelijkheid tegen publieksbelang; de EHRM-controle is terughoudend zolang de nationale besluitvorming transparant gemotiveerd en proportioneel is. Ten tweede: verzoekers doen er goed aan concreet aan te tonen welke journalistieke of maatschappelijke waarde het openbaarmaken van bepaalde documenten heeft en waarom minder ingrijpende maatregelen (bijv. gedeeltelijke lezing, redaction) onvoldoende zouden zijn.
Kortom: de uitspraak bevestigt dat het Europese mensenrechtenkader bescherming biedt voor persvrijheid, maar dat die bescherming in toegang-tot-informatiezaken geen zelfstandig, absoluut recht op openbaarheid oplevert. In de praktijk zal succes in Woo-procedures vaak afhangen van de kwaliteit van de motivering van zowel de geheimhoudingsgronden door de overheid als het tegenbewijs door media of burgers.