Hoge Raad: levenslang ook mogelijk bij veroordeelde die psychiatrische zorg nodig heeft

dinsdag, 10 februari 2026 (14:01) - Nederlands Juristenblad

In dit artikel:

De Hoge Raad heeft op 10 februari 2026 geoordeeld dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar kan zijn met artikel 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling), ook wanneer de gedetineerde (psycho)medische of psychiatrische zorg nodig heeft als voorbereiding op een mogelijke terugkeer in de samenleving. Dit besluit bevestigt een uitspraak van het gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2024:2444), dat een verdachte voor moord tot levenslang veroordeelde.

In cassatie was de centrale vraag of een levenslange straf onaanvaardbaar is wanneer op het moment van oplegging nog niet vaststaat hoe en wanneer noodzakelijke behandeling wordt aangeboden. De Hoge Raad oordeelt van niet. Belangrijke punten in zijn motivering zijn:
- Binnen een jaar nadat de levenslange straf onherroepelijk wordt, moet er gedragskundige rapportage plaatsvinden om passende zorg te kunnen aanbieden.
- De Nederlandse wet biedt diverse mogelijkheden voor (psychiatrische) behandeling tijdens de uitvoering van een levenslange straf, ook buiten de inrichting indien nodig.
- Elke veroordeelde kan beslissingen over de tenuitvoerlegging laten toetsen door de rechter (penitentiaire of civiele rechter).

Het hof had het levenslang gerechtvaardigd vanwege de buitengewone ernst van het delict, eerdere gewelddadigheid van de verdachte, het hoge risico op herhaling en de conclusie dat een tbs-maatregel dit risico niet voldoende zou verminderen. Daarbij speelde mee dat ook onder de tenuitvoerlegging van een levenslange straf de benodigde zorg kan worden geboden. De Hoge Raad vond deze rechtskundige en feitelijke afweging voldoende gemotiveerd en juridisch juist.

Andere cassatieklachten bleven buiten een enkel punt over de duur van gijzeling in verband met schadevergoedingsmaatregelen zonder succes. De veroordeling en de opgelegde levenslange gevangenisstraf zijn daarmee definitief.

Achtergrond: artikel 3 EVRM vormt in Europa een belangrijke toets voor zware straffen; deze uitspraak verduidelijkt dat onzekerheid over het tijdstip en de precieze vorm van latere behandeling op zichzelf niet automatisch leidt tot strijd met dat verbod.