Hof Den Bosch vraagt Hoge Raad om duidelijkheid over rechtsmacht bij IND‑nareisfraude

woensdag, 18 maart 2026 (11:43) - Advocatie.nl

In dit artikel:

Het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch heeft de Hoge Raad om juridische uitleg gevraagd over de vraag of Nederland strafrechtelijke bevoegdheid heeft bij valsheid in geschrift die in het buitenland is gepleegd. Centraal staat een zaak tegen een Syrische man die in 2021 in Turkije naar verluidt onjuiste gegevens op een IND‑formulier voor een nareisprocedure invulde; hij zou hebben gelogen over zijn relatie en kinderen omdat hij vreesde dat de waarheid zijn komst naar Nederland zou belemmeren.

Het hof legde op 3 maart 2026 prejudiciële vragen voor omdat eerdere, vergelijkbare uitspraken door lagere rechters tot het oordeel leidden dat Nederland geen rechtsmacht had, waarna het Openbaar Ministerie niet‑ontvankelijk werd verklaard. Omdat daartegen geen cassatie is ingesteld, blijft de rechtsvraag open.

Het Bossche hof wil dat de Hoge Raad duidelijkheid geeft over de reikwijdte van artikel 4 onder d van het Wetboek van Strafrecht — of die bepaling rechtsmacht biedt wanneer de valsheid “is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling” (de IND). De uitspraak is van belang voor meerdere lopende zaken en voor de rechtszekerheid rond vervolging van buitenlands gepleegde vervalsingen gericht op Nederlandse instanties.