Hoeveel advocaten moeten we offeren?
In dit artikel:
Het artikel onderzoekt de spanningslijn tussen het fundamentele recht op verdediging (artikel 6 EVRM) en de veiligheid van advocaten wanneer een verdachte hen herhaaldelijk bedreigt of laat vermoorden. De kernvraag is wie moet wijken: het recht van een verdachte op fysieke bijstand of de plicht van de staat om levens te beschermen. De auteur benadrukt dat het recht op verdediging essentieel is, maar niet onbeperkt: het mag worden ingeperkt als er zwaarwegende, proportionele en tijdelijke gronden zijn.
Juridische en morele kaders worden aangeroepen: Kant en Rawls leveren argumenten tegen het instrumentaliseren van advocaten; utilitaristische overwegingen kunnen juist het algemeen belang laten voorgaan. Praktische oplossingen worden voorgesteld om het recht te behouden zonder mensenlevens te riskeren — bijvoorbeeld digitale communicatie, een procesmonitor of een stand-by raadsman die fysieke ontmoeting vervangt. De oproep is concreet: wetgever en de Orde van Advocaten moeten uitzonderingssituaties expliciet regelen, niet om rechten te verzwakken maar om ze tegen misbruik te beschermen.
Kort gezegd: het recht op verdediging blijft heilig, maar de rechtsstaat mag dit recht niet laten leiden tot het offeren van levens; proportionaliteit en duidelijke regelgeving zijn vereist.