Een Omnibus voor big tech
In dit artikel:
In 1996 riep John Perry Barlow in zijn Verklaring van de Onafhankelijkheid van Cyberspace beleidsmakers op het vroege internet met rust te laten. Die handschoen werd opgepakt: in de VS bracht Section 230 (1996) aanbieders juridische immuniteit, en de EU-regels uit 2000 legaliseerden in het algemeen dat hostingproviders niet aansprakelijk werden gehouden voor door gebruikers opgeslagen content. Dat korsetloze klimaat maakte explosieve groei en innovatie mogelijk; sociale media en grote Amerikaanse techbedrijven (Google, Facebook) floreerden in een tijd van techno‑optimisme.
De komst van kunstmatige intelligentie verliep echter anders. Al in 2018 pleitte de Franse president Macron voor regelgeving rond AI; in 2021 kwam de Europese Commissie met een wetsvoorstel (de AI Act), vóór de doorbraak van ChatGPT. Ondanks waarschuwingen en zelfs een oproep in maart 2023 van Elon Musk en een groep deskundigen voor een tijdelijke ontwikkelingsstop, ging de ontwikkeling onverminderd door. AI draagt inmiddels fors bij aan economische groei — dit jaar zou AI 40% van de groei van de Amerikaanse economie verklaren — en de grootste winnaars zijn bedrijven als Nvidia, Apple, Microsoft, Google, Amazon, Broadcom en Meta, geen Europese spelers.
Om de Europese concurrentiepositie te versterken stelde de Europese Commissie op 19 november 2025 de zogenoemde Digital Omnibus voor: een pakket waarmee recent aangenomen digitale wetgeving, waaronder onderdelen van de AVG en de AI Act, wordt versoepeld. Het doel is innovatie en concurrentiekracht stimuleren, maar het voorstel schuift grenzen op die tot nu toe persoonsgegevens en bijzondere categorieën beschermden. Concreet wil de Omnibus het grootschalig “scrapen” van internetmateriaal voor het trainen van AI‑modellen mogelijk maken door verwerking van persoonsgegevens voor trainingsdoeleinden onder het juridische kader van gerechtvaardigd belang te brengen (art. 6 lid 1 sub f AVG). Ook wordt de deur op een kier gezet voor verwerking van gevoelige gegevens (zoals politieke voorkeur of seksualiteit) onder strikte voorwaarden, ook als expliciete toestemming praktisch onhaalbaar is.
De reactie was heftig: de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens waarschuwde dat mensenrechten niet mogen wijken, en meer dan 120 maatschappelijke organisaties noemden het pakket in een brief een historische inperking van digitale grondrechten. Daarnaast is het onduidelijk of de Omnibus de Europese AI‑industrie werkelijk zal helpen. De EU‑wetgevingsmachine werkt traag; de procedure kan jaren duren en creëert juist juridische onzekerheid. De Commissie stelt onder meer uitstel van inwerkingtreding van delen van de AI Act van augustus 2026 naar eind 2027 voor. Terwijl die juridische luwte voortduurt, weten bedrijven niet waaraan ze zich moeten houden — een factor die investeringen kan afremmen.
Kortom: de Omnibus probeert een evenwicht tussen bescherming en innovatie te vinden, maar belooft vooral onduidelijkheid. In plaats van duidelijkheid te scheppen, kan het pakket de concurrentiepositie van bestaande grote techspelers verder verstevigen en Europese ondernemingen benadelen. De AI‑sector heeft vooral behoefte aan voorspelbare regels, niet aan een versneld deregulatie‑experiment dat mensenrechten op het spel zet.