De zaak Safi: ontwikkeling rond verblijfsrecht voor ouders van Unieburger-kinderen
In dit artikel:
Advocaat-generaal Ćapeta heeft in de Europese procedure rond de zogenaamde Safi‑zaak een baanbrekende conclusie gepresenteerd die grote gevolgen kan hebben voor gezinnen binnen de EU. De kernvraag is of een ouder zonder EU‑nationaliteit, die al rechtmatig verblijft in een andere lidstaat, toch aanspraak moet kunnen maken op een afgeleid verblijfsrecht om in Nederland bij zijn of haar minderjarige kind met de Nederlandse nationaliteit te verblijven. De uitkomst van deze zaak raakt aan de grensvlakken tussen EU‑burgerschapsrecht, vrij verkeer en nationale vreemdelingenwetgeving: het kan bepalen wanneer het verblijf van een niet‑EU‑ouder noodzakelijk is om het recht van een EU‑kind op daadwerkelijk genot van zijn of haar rechten te waarborgen. De conclusie van de A‑G is niet bindend; de uiteindelijke uitspraak volgt van het Europese Hof van Justitie. Als het hof Ćapeta volgt, kan dat leiden tot ruimere mogelijkheden voor gezinshereniging in situaties waarin EU‑burgerschap van het kind centraal staat, terwijl afwijkende uitkomst juist beperkingen voor dergelijke gezinnen in stand houdt. Ter context: dit soort kwesties sluit aan bij eerdere jurisprudentie over afgeleide rechten van kinderen (zoals de Ruiz Zambrano‑lijn), maar de Safi‑zaak behelst specifiek de vraag hoe die rechten werken wanneer de niet‑EU‑ouder al in een andere lidstaat verblijft.