De relatieve relativiteitsleer: over de Correctie-Langemeijer

woensdag, 18 maart 2026 (12:01) - Nederlands Juristenblad

In dit artikel:

In het beroemde Tandartsen-arrest van 17 januari 1958 paste de Hoge Raad voor het eerst de zogenoemde Correctie-Langemeijer toe. In die zaak oefende een onbevoegde persoon in Nederland het tandartsenberoep uit, waardoor bevoegde tandartsen die een dure en tijdrovende opleiding hadden gevolgd concurrentie ondervonden. De wettelijke norm die de onbevoegde tandarts overtrad diende primair de volksgezondheid en niet expliciet de bescherming van concurrenten. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat de overtreding van die wettelijke norm meegewogen kon worden bij de vraag of de gedraging onrechtmatig was jegens de bevoegde tandartsen, zodat hun vermogensbelangen civielrechtelijk beschermd konden worden.

Langemeijer, die deze ‘correctie’ eerder (in 1934 en 1940) voorstelde, stelde een nog steviger lijn voor: volgens hem kan de wetsoverschrijding zelf doorslaggevend zijn en rechtstreeks leiden tot een schending van de maatschappelijke zorgvuldigheid. Dat staat enigszins in contrast met oudere rechtspraak (zoals Lindebaum/Cohen uit 1919) en met de relativiteitsleer, die bepaalt dat slechts belangen die de wet beoogt te beschermen een grond voor onrechtmatige daad vormen.

De bijdrage bespreekt hoe de Correctie-Langemeijer praktisch gezien een antwoord geeft op handhavingsproblemen bij oneerlijke concurrentie en hoe het civiele recht breder wordt ingezet voor burgerlijke en maatschappelijke handhaving — bijvoorbeeld bij milieurechtszaken en consumentenclaims (denk aan het ‘sjoemeldiesel’-dossier). De auteur sluit met de stelling dat de correctie de relativiteitsleer niet uitschakelt maar relativiseert: de wetsoverschrijding blijft relevant als factor (soms zelfs beslissend) bij de beoordeling van onrechtmatigheid, waardoor civiele aansprakelijkheid in situaties mogelijk wordt waar die anders zou uitblijven.