De Radbruch-formule en de aanval op Iran: gerechtigheid versus internationaal recht?
In dit artikel:
Feike Otto van der Zee, jurist en denker over rechtvaardigheid, reageert op de recente gezamenlijke militaire operatie van Israël en de Verenigde Staten tegen Iran door het spanningsveld tussen internationaal recht en morele noodzaak te onderzoeken. Centraal staat Gustav Radbruchs naoorlogse adagium “extreem onrecht is geen recht”, dat Van der Zee niet als formele juridische vrijbrief gebruikt maar als ethisch kompas om te laten zien wanneer wettelijkheid haar morele draagkracht verliest.
Hij legt uit dat het VN-Handvest en het verbod op agressie normaal gesproken aanvallen zonder Veiligheidsraad-mandaat verbieden, terwijl Artikel 51 het recht op individuele of collectieve zelfverdediging erkent. De VS en Israël verdedigen hun actie met een bredere lezing van preventieve zelfverdediging tegen een vermeende imminente dreiging, vooral rond Iran’s nucleaire programma en het gebruik van proxy’s zoals Hezbollah, Hamas en de Houthis. Critici bestrijden deze opvatting: ‘imminence’ vraagt volgens hen concrete aanwijzingen voor direct aanstaand geweld, niet langdurige capaciteitsopbouw.
Van der Zee somt talrijke voorbeelden op waarmee hij stelt dat Iran voldoet aan Radbruchs criteria voor “onverdraaglijk onrecht” en zelfs systematische verloochening van recht: steun aan gewapende groeperingen die aanslagen plegen, schendingen van het non-proliferatieverdrag en een geheim nucleair traject, plus zware repressie van binnenlandse protesten (volgens HRW, HRANA en VN-rapporten met tienduizenden doden en misdaden tegen de menselijkheid). Daarmee zou een regime dat dergelijke institutionele misstanden faciliteert in Radbruchs visie morele legitimiteit verliezen om absolute soevereiniteit te claimen.
Hij bespreekt ook de Responsibility to Protect (R2P) als mogelijk aanvullend moreel kader: interveniëren om bevolkingen te beschermen tegen massale mensenrechtenschendingen. Maar R2P vereist doorgaans een Veiligheidsraad-mandaat en wordt bekritiseerd als vatbaar voor selectief of politiek misbruik. Van der Zee benadrukt dat zijn redenering moreel-politiek is, niet een sluitende juridische rechtvaardiging: de operatie kan formeel agressie zijn, maar moreel worden gezien als poging tot herstel van gerechtigheid.
Hij waarschuwt expliciet tegen een recht van de sterkste en pleit voor Radbruchs evenwicht tussen formalistisch recht en diepere gerechtigheid. Als afsluiting citeert hij de Perzisch-Nederlandse schrijver Keyvan Shahbazi om te onderstrepen dat Iraniërs zelf weinig vrijheid hebben om deze intellectuele debatten te voeren onder hun regime.