Column - Effectieve bescherming en verdediging bij bedrijfsschandalen: verdediging en vertrouwelijkheid serieus getoetst en op de proef gesteld
In dit artikel:
Het debat over het professionele verschoningsrecht richt zich momenteel vooral op procedurele waarborgen in de voorgestelde Tweede aanvullingswet voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Volgens Francien Rense verdienen echter ook de inhoudelijke grenzen van het recht en de eisen aan advocaten veel meer aandacht, vooral bij complexe, grensoverschrijdende fraudezaken rond ondernemingen en hun bestuurders.
Recente rechtspraak wijst volgens haar op een strengere toetsing. De Hoge Raad bepaalde in 2022 dat de onafhankelijkheid van advocaten in dienstbetrekking een voorwaarde is voor een beroep op het verschoningsrecht. Hun werkzaamheden moeten bovendien hoofdzakelijk op de rechtspraktijk zijn gericht, waarbij onder meer wordt gekeken naar het verband met een lopende of verwachte procedure. In 2024 stelde de Hoge Raad dat ook de manier waarop een advocaat de informatiehuishouding en communicatiemiddelen organiseert, kan meewegen wanneer het verschoningsrecht wordt geschonden.
Een Rotterdamse rechter-commissaris oordeelde in 2026 dat informatie die in een publieke AI-dienst wordt ingevoerd of daaruit wordt gegenereerd, openbaar kan zijn gemaakt. Daardoor kan de vertrouwelijkheid worden doorbroken en kan de informatie haar verschoningsrechtelijke bescherming verliezen. Volgens Rense laat dit zien dat niet alleen de formele positie van een advocaat telt, maar ook diens taakopvatting, werkwijze en omgang met digitale middelen.
Ook internationaal is bescherming niet vanzelfsprekend. De Hoge Raad verlangt van buitenlandse advocaten in dienstbetrekking dat zij aan vergelijkbare formele voorwaarden voldoen als Nederlandse advocaten. Voor buitenlandse advocaten geldt bovendien dat hun werkzaamheden zowel in het land van herkomst als naar Nederlandse maatstaven voor bescherming in aanmerking moeten komen.
De Europese rechter benadrukte op 3 augustus 2026 in een mededingingszaak dat het verschoningsrecht vooral verbonden is aan de onafhankelijke rol van de externe advocaat als deelnemer aan de rechtsbedeling en verdediger van procespartijen. Een beroep op het Amerikaanse verschoningsrecht hoefden de EU-autoriteiten volgens de rechter niet automatisch te respecteren. Het respecteren daarvan berustte in deze zaak op internationale hoffelijkheid, ofwel ‘comity’, en niet op een absolute internationale verplichting. Daarmee lijkt bescherming van buitenlandse advocaten buiten de EU eerder een beperkte erkenning dan een vaststaand recht.
Rense bepleit daarom een breder debat. Naast werkbare procedures moeten ook onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid, professionele zorgvuldigheid, digitale ontwikkelingen en de complexiteit van internationale bedrijfs- en fraudeonderzoeken structureel worden meegewogen bij toekomstige regelingen.
Vandaag Inside: Jurriën Timber over bijzonder moment met broer Quinten: 'Héél speciaal!'